Sla over naar de inhoud

Proloog

De grote stenen banken waren gloeiend heet geworden onder de brandende zon op het terras van Museumpark. De studenten durfden geen plaats te nemen in de angst dat ze zich zouden branden en dus hadden ze zich verspreid over het gehele buitenterrein van de school. Sommigen van hen zaten te lunchen aan hun tafeltjes, sommigen stonden te praten in het gekortwiekte veldje, en anderen hadden zich iets verderop geprobeerd te isoleren, languit liggend op het droge, gele gras dat aan die kant niet zo goed was bijgehouden. Ondanks dat het nog lente was, rook het al naar zomer. Het voelde als zomer. De weerkaatsing van de zon op de vele gekleurde zonnebrillen zorgde voor een dansend lichtspektakel op de muren van het gebouw. Zelfs het grauwe ziekenhuis leek opgevrolijkt door de atmosfeer die er hing, alsof het even was vergeten wat er allemaal binnen de muren gebeurde.

Een groep van vier jongens stond onder de schaduw van een grote honingboom zich te verheugen op het naderende weekend. Terwijl er een uitbundig met handgebaren stond te vertellen over een aankomende wedstrijd die koste wat het kost gewonnen moest worden, was een andere juist met gesloten ogen aan het genieten van het geluid om hem heen, en zo waren ze met elkaar en toch ook een beetje met zichzelf bezig. Een vijfde jongen stond iets verderop, afgezonderd van de groep, en hij keek met een verloren blik naar de prachtig mooie jonge vrouw die van hem wegliep richting haar auto. Verdwaald in gedachten liet hij zich meenemen door haar. Hij kon haar in zijn hoofd niet loslaten. Het was een gevoel dat hij niet helemaal kon plaatsen. Warm, als het weer om hen heen, net zo vrolijk, maar tegelijkertijd ook somber, alsof de schaduw van de boom de zomer had overgeslagen en een kille herfst zijn grote wortels onder hen had vastgegrepen. Hij kon niet meer bewegen en bleef haar met zijn ogen volgen. Vlak voordat ze instapte in haar roestige, oude Kever, keek ze even naar hem om, en lachte. Eindelijk, dacht hij. Hij wilde zo graag dat ze hem zag. Dat ze bleef. Het was de meest schitterende lach die hij ooit had gezien, zo simpel, maar tegelijkertijd ook zo veelzeggend. Hij was betoverd. Als een klein kind die voor het eerst zijn ouders uitzwaait op de allereerste dag van de basisschool, stak hij zijn rechterhand op en maakte een vragend gebaar terwijl hij zijn schouders ophaalde. Zelfs zijn wangen trilden en hij voelde de haren op zijn arm overeind staan van de spanning.

“Ik snap het niet,” zei hij zachtjes, misschien ook naar haar, maar vooral tegen zichzelf, terwijl hij zijn hoofd schudde in ongeloof.

“Zei je iets, maat?” reageerde een van zijn vrienden verrast, maar hij gaf geen antwoord. Hij draaide zich niet eens om naar de jongens. Gefixeerd bleef hij kijken naar hoe ze de wagen instapte.

Dezelfde vriend kwam dichterbij staan, volgde zijn ogen en zei toen hij haar zag: “Aha. Ik snap het. Mooie meid, man.”

De andere jongens waren nu ook dichterbij gekomen.

“Wie is dat? Ken je haar?”

“Wat moest ze van je?”

“Komt ze hier vandaan?”

“Ben je afgewezen?”

Ze bleven allerlei vragen op hem afvuren, maar in dat moment was al het gepraat veranderd in een soort doof gebrom dat ergens heel ver weg leek te zijn. Er waren misschien wel antwoorden op al hun vragen, maar hij wist dat die somber zouden zijn en hij wilde niet toegeven dat het pijn deed. Hij wist niet waarom dat zo was, maar hij voelde het. Dat bitterzoete gevoel bleef hem achtervolgen, zelfs nu ze bijna uit zijn leven was verdwenen. Het was een gevoel dat kwam van diep binnenin hem en hij besloot niet te reageren op zijn vrienden. Hij sloot zijn gevoelens op zodat hij haar kon bewaren voor alleen zichzelf, onveranderd door de woorden van anderen, en puur zoals alleen hij haar had meegemaakt in dat hele korte gesprek dat ze hadden. In dat ene moment samen.

Ze deed de deur van haar goudgele auto dicht en wierp nog een laatste blik naar hem. Daarna sloot ze haar ogen en ademde diep in. Met een zucht zei ze: “Dag, Hazel,” en ze startte de auto.

Een van de jongens deed een hand op Hazels schouder om hem uit zijn droomwereld te halen. Hazel draaide half mee terug en was bijna uit de betovering van haar aanwezigheid gehaald, tot hij de auto hoorde wegrijden.

“Nee, wacht,” zei hij en hij bevrijdde zichzelf uit de greep van zijn vrienden. Hij vermande zich en rende richting de plaats waar haar auto enkele ogenblikken geleden nog geparkeerd stond, dicht bij de zijne. In de verte zag hij haar wegrijden en hij rende een paar stappen door naar zijn eigen auto. Hij was blij dat hij deze dag had gekozen om zelf te rijden in plaats van met het openbaar vervoer te reizen. Terwijl hij in zijn bloedrode Mustang stapte, keken zijn vrienden machteloos toe onder de takken van de honingboom. Ze hadden de kans niet gekregen hem tegen te houden en wisten zichzelf ook geen houding meer te geven. Hazel had ze zo hard genegeerd dat ze niet achter hem aan waren gegaan. Ze riepen nog wat na, maar hij wilde er niets van weten. Voor Hazel bestond er even niemand anders meer dan zij.

Zonder te treuzelen startte hij de roestige auto en hij reed achter haar aan in de hoop haar nog in te halen, maar hij zag haar nergens meer. Op gevoel reed hij almaar door in z’n oude bak, maar kon haar niet vinden. Hij rukte zijn hoofd van de ene kant naar de andere kant, trillend van de zenuwen met zijn hartslag in z’n keel. Binnenspiegel, buitenspiegels, voorruit, links, rechts, hij keek overal. Waar is ze toch, dacht hij, maar zijn taak was onmogelijk. Het enige wat ze had gezegd was dat ze naar Eindhoven zou gaan en vanaf daar wel zou zien wat ze zou doen. Ze was heel vaag gebleven in alles wat ze had gezegd. En dan was er ook nog de manier waarop ze naar hem had gekeken. Hoopvol en tegelijk bedroefd, alsof ze een glimlach had geforceerd om haar verdriet te verbergen. Er was iets met haar. Hij wist het. Hij voelde het. Hij begreep er weinig van, maar meer dan dat hij antwoorden wilde, wilde hij haar weer zien. Ze had hem betoverd en hij wist dat dit hem voor eeuwig in de ban zou houden. Dus hij reed de meest logische route richting Eindhoven die hij kon bedenken en hij reed hard, en hij reed zacht, steeds kijkend naar de auto’s in de verte, om hem heen, en achter hem via zijn binnenspiegel, maar de Kever was nergens te bekennen. Hij nam de volgende afslag en reed richting het vliegveld. Hij had geen idee wat hij moest doen of waar hij naartoe moest gaan, dus reed hij op gevoel. Zelfs zijn gevoel liet hem uiteindelijk in de steek, dus gaf hij op en zette de auto aan de kant van het weggetje vlak voor de rotonde bij het vliegveld. Ondanks dat hij had opgegeven haar te kunnen vinden leek het nog steeds alsof hij werd geleid door iets. Misschien toch een nog dieper gevoel dat van binnen hem kwam en het enige wat hij kon doen was toegeven en ernaar luisteren, maar hij hoorde niets. Hij zag niets. Leunend met zijn handen tegen zijn auto blies hij hard uit en sloot zijn ogen. Ineens was het allemaal voorbij.

“VERDOMME!”

De kreet kwam vanuit zijn tenen kwam en hij sloeg met beide vuisten keihard tegen zijn auto. Het oude ding rammelde even en misschien brak er zelfs iets onderin. De stilte daarna werd verbroken door het krachtige geluid van een vliegtuig dat opsteeg, en toen hij omhoogkeek zag hij dat hij er recht onder stond. Zou ze erin zitten, vroeg hij zich af, maar hij wist dat ze dat nooit zo snel zou kunnen doen. Hij volgde het vliegtuig met zijn ogen, staarde naar de lucht en toen het vliegtuig uiteindelijk verdween in de wolken keek hij weer naar de grond. Hij volgde het onkruid dat tussen de tegels door groeide naar de struik aan de kant van de parkeerplaats. Vol verbazing zag hij iets wat hij in eerste instantie niet helemaal kon plaatsen. Tussen de gifgroene blaadjes danste een verfrommelde envelop mee met het ritme van de wind. De envelop was stevig vastgezet aan de gebroken takjes die tussen de blaadjes door uitstaken, en erop stond, in zijn ogen prachtig, geschreven:

‘Voor Hazel’

Hij aarzelde even voordat hij de envelop kon bevrijden uit de vaste greep van de takken. In zijn hart voelde hij dat het van haar moest zijn, maar hij had nooit zo in het lot geloofd. Toch kon het geen toeval zijn dat hij precies hier zou stoppen en dit briefje zou vinden. Zij had dit toch nooit kunnen weten? Zijn hart ging tekeer terwijl hij de envelop bestudeerde. Hij opende hem en wilde het briefje eruit halen.

BAM!

Ineens klink er een oorverdovend luide knal. Hazel keek geschrokken op en zag een angstaanjagend schouwspel. Bestuurders hadden de controle van hun voertuigen verloren en om hem heen botsten meerdere auto’s op hoge snelheid tegen elkaar aan. De remmen van de vrachtwagen die veel te hard langsreed krijsten tevergeefs. Het gigantische voertuig knalde tegen een hoog gebouw aan en bleef halverwege de muur hangen. Hazel wilde helpen, maar wist niet hoe. Machteloos stond hij om zich heen te kijken. Ook van boven klonk er ineens iets merkwaardigs. In de lucht zag hij een vliegtuig dat rare manoeuvres maakte, waarschijnlijk, dacht hij, omdat de piloot zich probeerde klaar te maken voor een noodlanding. Het zag er niet naar uit dat het ging lukken en Hazel voelde z’n hart tekeer gaan. Wat gebeurde er toch allemaal? Hij wilde iets doen, iemand helpen. Er gebeurde te veel en hij kon alleen maar ademloos toezien hoe de wereld om hem heen doordraaide. Het was angstaanjagend. Maar het meest enge wat hij in de lucht zag waren de kleine kometen die boven het vliegveld zichtbaar werden omdat die net door de dampkring waren binnengekomen. Aanvankelijk had Hazel niet door wat het was, en van een afstand leken het kleine vuurvliegjes, maar met elke adem die hij nam groeiden ze exponentieel. In werkelijkheid moesten ze zo groot zijn geweest als auto’s. Auto’s die in brand stonden en op het punt stonden te exploderen. Ik moet hier weg, dacht hij en haastte zich naar zijn auto. Het vliegtuig boven hem werd geraakt door een van de kometen en de angst in Hazels ogen groeide nog meer. Hij wilde weer schreeuwen, maar deze keer kwam er geen geluid. Hij greep z’n keel vast met zijn hand en had niet door dat hij het zo hard kneep totdat het rood werd. Alles om hem heen was luid, maar heel even leek alles muisstil van machteloosheid. Toen Hazel zichzelf weer vermande, hoorde hij een pieptoon die steeds luider werd en hij zag een blauwe gloed in de vorm van een bol ontstaan, heel hoog in de lucht, die daalde tot vlak waar hij stond. Hij stond erin en zag vlak voor hem de glinsteringen van de gloed. Hij was de controle over z’n slikreflexen zelfs verloren en het kostte hem moeite om weer zuurstof naar z’n hersenen te laten gaan, maar hij vermande zich opnieuw. Hij observeerde de grens van de bol. Aan zijn kant was alles veilig, maar aan de andere kant van de doorzichtige bol ontstond chaos. Er waren mensen die in paniek wegrenden naar links, terwijl er kometen insloegen aan de rechterkant. Toch ontstond er in de heftigheid van de verwoesting een moment van sereniteit. In de stilte binnen de storm concentreerde Hazel zich op de hartslag die hij nog steeds in zijn keel voelde. Een andere soort hartslag en een andere soort spanning, maar nog steeds net zo wild. Met zijn ogen doorzocht hij het luchtruim. Er glom iets fels, ver tussen de parelwitte wolken door. Zijn lichaam begon te trillen, en ook de grond waar hij op stond voelde hij bewegen. Steeds sneller en sneller. De hele wereld beefde terwijl het luchtruim rood kleurde. Rood zo intens als bloed. Het leek alsof de wereld buiten de bol in brand stond. Hazel liep naar het punt waar de bol eindigde en voor hem kwam een klein, blond meisje in een blauw jurkje staan. Hij schatte haar een jaar of zes. Haar jurkje was op verschillende plekken gescheurd, en een traantje gleed langzaam over de schrammen en zwarte vegen die ze op haar gezicht had omlaag. Ze deed haar hand tegen de bol en Hazel deed dit ook. Het merkwaardige object voelde nergens naar, alsof het er niet eens was. Toch kreeg hij zijn hand niet naar buiten en hij wist dat er voor haar met geen mogelijkheid een weg naar binnen was. Het meisje was doodsbang, dus besloot Hazel zijn paniek te verbergen, zo goed hij kon.

“Het komt goed,” zei hij met trilling in z’n stem, terwijl hij zijn eigen tranen probeerde weg te knijpen. Het meisje knikte met een heel klein lachje op haar schrale lippen. Het werd met de seconde moeilijker haar te zien, en uiteindelijk verdween ze in een dichte stofwolk.